Medicijn in de stille tijd (2)

De naam van deze zondag is afgeleid van bovenstaande psalmtekst (‘invocare’ betekent aanroepen). De stille tijd is begonnen. Voor de zondagen vanaf vandaag tot aan Palmzondag heeft Johann Sebastian Bach geen cantates geschreven, omdat er destijds in Leipzig geen muziek mocht klinken in deze periode.

Zondag 18 februari 2024

Invocabit

Wie Mij aanroept, geef Ik antwoord (Ps. 91,15).

Toch is er één Bach-cantate voor in de stille tijd; BWV 54. Voor zondag oculi, de middelste van de vijf zondagen van de stille tijd. We luisterden er al eens eerder naar (op zondag 20 maart 2022), maar zulke mooie muziek kun je niet vaak genoeg horen: https://bit.ly/47W51zN

Uitzonderlijk
Deze solocantate voor alt is waarschijnlijk voor het eerst uitgevoerd op 24 maart 1715 in Weimar. Bach was net een jaar daarvoor bevorderd van organist en kamermusicus tot kapelmeester aan het hof aldaar en dat bracht de verplichting met zich mee dat hij iedere maand minstens één cantate moest componeren en uitvoeren. De technische eisen die deze cantate aan de zangsolist stelt zegt iets over het hoge, professionele niveau van de musici die Bach in Weimar tot zijn beschikking had. De tekst is afkomstig uit een bundel van hof bibliothecaris en dichter Georg Christian Lehms (1684-1717), gepubliceerd in 1711 te Darmstadt, alwaar hofcomponist Christoph Graupner (1683-1760) vrijwel al deze teksten gebruikte in zijn meer dan 1400 cantates. Bach heeft deze bundel waarschijnlijk tot zijn beschikking gehad en deze tekst, ook van origine juist bestemd voor zondag oculi, gebruikt in zijn cantate. Blijkbaar mocht er in Weimar wel muziek klinken in de stille tijd. Toch houdt Bach het sober, zowel wat betreft de vorm (slechts twee aria’s, verbonden door een recitatief) als de bezetting (met continuo, twee violen en twee altviolen minimaal te noemen). 


Tekst en muziek
Het is best een heftige tekst waarmee de luisteraar wordt geconfronteerd: ‘Weersta toch de zonde, anders krijgt haar gif je te pakken. Laat satan je niet verblinden; want zij die Gods eer schenden worden getroffen door een vloek die dodelijk is.’ Het begin van de cantate maakt je onrustig, denk aan het begin van zowel de Matteüs- en de Johannes Passion. Veelzeggend is ook dat Bach deze muziek 15 jaar later hergebruikte voor een aria in zijn Markus Passion, BWV 247. Let op het spannende begin van de dissonante akkoorden op het orgelpunt (liggende toon) in de bas: die ‘weerstaat’ de ‘schurende’ harmonieën van de strijkers. Het trekt aan je ziel. En luister na dit prachtige eerste deel gerust de hele cantate verder uit.

Heilzaam
Het komt wel eens voor dat, als dat in het libretto ontbreekt, Bach zelf een slotkoraal toevoegt. Dat is hier niet het geval, maar Martin Petzoldt (1946-2015), bij leven theoloog en Bach-geleerde uit Leipzig, suggereert in zijn Bach-Kommentar voor de huidige uitvoeringspraktijk om af te sluiten met het 16e couplet van ‘Jesu, meiner Seelen Wonne’, dat (vertaald) de volgende tekst heeft: ‘Alleen Jezus wil ik liefhebben, want Hij is meer waard dan goud en alle andere kostbare gaven. Dan kan het loon van de zonden mijn ziel niet schaden, want die is van zonde bevrijd, ook al vernietigt het mijn lichaam. Ik laat mijn Jezus niet los.’ En zo zijn we eigenlijk weer terug bij waar we het vorige week over hadden. Bij Heiland Christus is het enige werkzame medicijn voor lichaam en ziel te vinden. Hij vergeeft alle schuld, Hij geneest alle kwalen (Ps. 103,3). En ook al lijkt het hier en nu in dit leven vaak zo totaal anders, eens zullen we het voluit mogen zingen: ‘HEER, mijn God, ik riep U te hulp en U hebt mij genezen’ (Ps. 30,3).